Financiering waterschappen

Wettelijke bases

  • Waterschapswet,die de taken en bevoegdheden van de waterschappen regelt (waterschapstaken). Financieel uitgangspunt is de trits: belang – betaling – zeggenschap. Als men belang heeft bij de taken van een waterschap, zal men moeten bijdragen, al naar dat belang; zal men vertegenwoordigd zijn in het bestuur en is men kiesgerechtigd. Groepen belanghebbenden zijn: ingezetenen, eigenaren gebouwd en – ongebouwd en eventueel pachters. Personen kunnen voor meerdere groepen belanghebbend zijn.
  • Wet Verontreiniging Oppervlaktewater, die de wettelijke basis levert voor de regulering, sanering en financiering van de waterkwaliteitstaak; waterkwaliteit is een taak die aan een waterschap kan worden opgedragen. Financieel uitgangspunt hierbij is: de vervuiler betaalt. Iemand met veel emissie betaalt ook veel. Belanghebbenden die in de besturen zijn vertegenwoordigd zijn: de inwoners en ‘bedrijfsgebouwd’.
  • Daarnaast geldt voor de eventuele wegentaak: indien deze aan de waterschappen is opgedragen, de Wet Herverdeling Wegenbeheer. Uitsluitend in die gemeenten, die hun wegentaak hebben overgedragen aan het waterschap (alleen in de provincies Noord en Zuid-Holland en Zeeland mogelijk). De financiering wordt gedeeltelijk opgebracht door de gemeente, gedeeltelijk door de inwoners.

Kostentoedeling

De waterschapskosten worden over de verschillende belanghebbenden verdeeld. Dit wordt geregeld in een Kostentoedelingsverordening, die ieder waterschap zelf maakt en ter goedkeuring voorlegt aan het provinciaal bestuur. De richtlijnen worden door de provincie bepaald. Meestal wordt het systeem gevolgd, dat door de werkgroep Havelaar (adviescommissie van de Unie van waterschappen) is opgesteld. Tenminste één maal per 5 jaar moet de Kostentoedelingsverordening worden bijgesteld. De uitgangspunten voor de verdeling kunnen per taak verschillen.

Waterkeringen

Hierbij gaat het om het onroerend goed te beschermen.

Basis voor de kostentoedeling is het algemeen belang en de waarde van het onroerend goed. De inwoners betalen voor het algemeen belang.

Stap 1 in de toedeling is: een afzondering van een bepaald deel voor de inwoners. In dicht bevolkte delen draagt deze groep meer bij dan in dun bevolkte gebieden. (Men onderscheidt 3 groepen:  dunbevolkt < 350 inwoners per km: 35 à 40%; gemiddeld 350 – 700 inwoners per km: 40 à 45%; dichtbevolkt < 700 inwoners 45 à 50%).  Ieder huishouden betaalt evenveel.

Stap 2 is een verdeling voor het restant tussen de categorie gebouwd en ongebouwd, op basis van de economische waarde.  Om tot een beoordeling te komen van de economische waarde van ‘gebouwd’ heeft men de WOZ-waarde. Voor het ‘ongebouwd’ zijn verschillende opties mogelijk: US gebruikt de gemiddelde prijs per hectare, voor de agrarische grond. Iedereen betaalt dus evenveel voor de grond: bollenboeren en veetelers. In Delfland is nog een onderscheid in ‘glastuinbouw’.

Waterbeheersing (waterkwantiteit):

Hierbij gaat het om de inrichting van het gebied.

Stap 1 is ook hier: een afzondering van een bepaald deel voor de inwoners. Dit deel mag nooit meer zijn dan 30 %.

Stap 2 is de verdeling van de rest tussen  ‘gebouwd’ (‘stedelijk’) en ‘ongebouwd’ (‘landelijk’).

Meestal gaat men bij deze verdeling uit van de ‘Oldambt-methode’. Uitgangspunt bij deze methode is de mate van afhankelijkheid van de waterschapsprestatie; criteria zijn: belang en kostenveroorzaking. Dus belang en  inrichtingsprestatie die men moet leveren voor het agrarische of het stedelijke gebied. Er kan in het agrarische gebied een klasse-indeling gemaakt worden voor de inrichtingsprestatie: bijvoorbeeld: voor droogmakerijen is een grotere waterprestatie te leveren, dan voor veenweiden. Daartegenover kunnen ‘hoge’ gronden korting krijgen.

In plaats van de methode Oldambt kan er bij de verdeling van de kosten uitgegaan worden van de ‘methode Delfland’. Uitgangspunt is hierbij de economische waarde. Voor het ‘gebouwd’ de WOZ-waarde; en voor het ongebouwd is er sprake van een verfijning van de economische waarde.  Er wordt dan een onderverdeling gemaakt in: glas, akkerbouw, gras, tuinbouw, etc. Het aantal hectares  x  de gemiddelde economische waarde per klasse leveren dan de totale economische agrarische waarde op.

Het verschil in ‘Oldambt’ en ‘Delfland’ zit hem dus in de basis van de criteria: ‘Oldambt’ hanteert bij de verdeling van de kosten: belang en inrichtingsprestatie; ‘Delfland’ de economische waarde van het eigendom, bij ongebouwd verfijnd naar gebruiksvorm. Als je e.e.a. uitrekent, dan zijn er aanzienlijke verschuivingen mogelijk tussen ‘gebouwd’ en ‘ongebouwd’.  Natuurterreinbeheerders en veehouders op natte veenweiden hebben in ieder geval de laagste rekening bij een systeem dat uitgaat van de economische waarde.

Afwijkingen

Polderwaterschappen gebruiken in het algemeen de methode ‘Oldambt’ voor hun waterbeheerstaak. Soms, als er weinig kaden zijn, is er sprake van 1 gecombineerde waterschapstaak; bijvoorbeeld in Westfriesland. (De echte waterkeringen worden hier door USHN beheerd). USHN gebruikt voor het Boezembeheer dezelfde methode als voor het waterkeringenbeheer. Reden: dure onderzoekingen voor een zeer gering bedrag. Er is ook wel wat voor te zeggen, dat er bij Boezembeheer uitsluitend sprake is van een instandhoudingbelang en dus de economische waarde als uitgangspunt.

Waterkwaliteitstaak

Bij de waterkwaliteitstaak gaat men uit van het principe: de vervuiler betaalt. Hoe meer verontreiniging, hoe meer bijdrage. De bijdrage wordt teruggerekend naar een vervuilingseenheid: de hoeveelheid huishoudelijke vervuiling van 1 persoon (= 1 v.e.); voor een huishouden wordt een bepaald vast bedrag gerekend: 3 vervuilingseenheden per huishouden; uitzondering daarop: een alleenwonende betaalt slechts 1 v.e..

Wegentaak

Sommige waterschappen, die deze wegen ook al van oudsher in eigendom en beheer hadden (voornamelijk in het westen van het land), kunnen nog steeds een wegentaak hebben. De Wet Herverdeling Wegenbeheer biedt daartoe de mogelijkheden. Wegen van lokale betekenis, buiten de bebouwde kom zijn in die Wet overgedragen aan de gemeenten. Echter de gemeenten kunnen deze wegentaak op hun beurt weer overdragen aan een waterschap (expliciet vermeld in deze Wet). De financiering is als volgt geregeld: het deel uit het Wegenfonds, dat via de Algemene Middelen in het Gemeentefonds wordt gestort, wordt doorgesluisd naar het waterschap. Het ontbrekende deel (meestal wel 50%) mag worden verhaald op de ingelanden, van die gemeenten waarbij sprake is van overdracht. De verdeling tussen inwoners en eigenaren ‘gebouwd en ongebouwd’ kan ook weer verschillend uitgewerkt zijn. Basis voor de criteria kan het soort wegen zijn: doorstromingswegen (lokale) en ‘erfontsluitingswegen’ (USHN).

De kosten van wegen op waterkeringen kunnen bij geringe extra kosten ondergebracht worden bij de waterkeringentaak.

Discussie

Voor de toedeling van de kosten naar de verschillende categorieën heeft men een uiterst ingewikkeld systeem bedacht, waarbij redelijkheid en rechtvaardigheid hoog in het vaandel staan. De keuzes tijdens het beslistraject hebben grote invloed op het uiteindelijke resultaat van de rekening die bij de verschillende categorieën  op de deurmat valt.

De zekerheden van de Werkgroep Havelaar zijn bij nader inzien niet zo eenduidig:

  • Het toerekenen van de werkzaamheden naar de ene of naar de andere taak (met een andere verdeling) is soms niet makkelijk te argumenteren en arbitrair. Vaak is er geen helder onderscheid te maken tussen ‘waterkwaliteitsbeheer’ en ‘waterkwantiteitsbeheer’
  • Het onderscheid tussen algemeen en specifiek belang is moeilijk aan te geven en zeker niet te wegen.

De wezenlijke vraag die gesteld moet worden is: worden de kosten over de verschillende groepen verdeeld op grond van economische waarde (uitgaande van het principe dat iedereen evenveel belang heeft bij het werk van het waterschap) of gaat men uit van het principe dat de verdeling gemaakt wordt op grond van de prestatie die door het waterschap geleverd wordt (uitgaande van de ‘oude’ waterschapsgedachte: het waterschap is een doel-organisatie).

Het zal duidelijk zijn dat over die vraag zeer verschillend gedacht wordt. De keuze van de criteria wordt vaak nog te veel bepaald door het uiteindelijke resultaat.

Conclusie: Kostentoedeling is een lastig te doorgronden ‘Zwarte Pietenspel’
Unieadvies over vernieuwing waterschapsorganisatie en financiering

De Unie van Waterschappen heeft een advies opgesteld over een nieuwe en eenvoudiger opzet van de waterschapsorganisatie (bestuur, takenpakket) en de financiering daarvan.  (De Commissies Togtema en Leemhuis – Stout hebben daar het voorwerk voor gedaan).

Uitgangspunten zijn:

  • Een onderscheid in algemeen en specifiek belang
  • Een helder onderscheid tussen de zuivering van afvalwater (het zogenaamde actief waterbeheer) en het verbrede watersysteembeheer. Het zogenaamd ‘passief’ waterkwaliteitsbeheer (integraal waterbeheer, monitoring, sanering van waterbodems, etc) wordt overgeheveld naar watersysteem.
  • Ook bij de financiering wordt dit onderscheid doorgetrokken. Er komt  1 watersysteemheffing en 1 zuiveringsheffing.
  • De kostenverdeling tussen ‘gebouwd’ en ‘ongebouwd’ vindt plaats op basis van de verhouding tussen de totale waarde van het gebouwd, respectievelijk ongebouwd.  WOZ-waarde voor ‘gebouwd’ en voor ‘ongebouwd’ de gemiddelde waarde van de ongebouwde zaken, waarbij rekening gehouden wordt met het feit dat deze voor de verschillende ongebouwde zaken uiteenloopt (methode Delfland)
  • In de toekomst worden ook de kosten van neerslag in de zuiveringen overgeheveld naar watersysteem
  • De kosten van het wegenbeheer worden apart gehouden.